
De boerenstand, een stand apart. Wonen en pronken in de 19e eeuw
Actueel 78 keer gelezenGeervliet - Burgemeester Lamers heeft vandaag in Museum Stadhuis Geervliet de tentoonstelling ‘De boerenstand, een stand apart. Wonen en pronken in de 19e eeuw ‘ geopend.
De tentoonstelling laat zien hoe het leven zich zo’n anderhalve eeuw geleden afspeelde op boerderijen van welgestelde boerenfamilies op Voorne-Putten. Het was de tijd vóór de opkomst van de melkfabrieken, toen melk nog op de boerderij zelf werd verwerkt tot boter en kaas. In dat werk had de boerin een centrale rol. Samen met de meiden hield zij het huishouden draaiende, zorgde zij voor de zuivelbereiding en bewaakte zij de orde in huis en op het erf.
Het boerenleven van toen stond ver af van het gemak van nu. Er was geen elektriciteit, geen stromend water en geen centrale verwarming. Water kwam uit de regenput of uit de wel, voedsel werd ingemaakt of gezouten, en koken, wassen, schoonmaken en zuivel bereiden vroegen dagelijks schoon, zorgvuldig en nauwkeurig werk. Terwijl de boer op het land werkte en het bedrijf naar buiten vertegenwoordigde, was de boerin binnenshuis en op het erf de spil van een groot deel van het boerenbedrijf. Zij deelde, letterlijk en figuurlijk, de lakens uit.
Die positie gaf haar ook invloed. In de gegoede boerengezinnen werd verdiend geld niet alleen geïnvesteerd in land, vee en werktuigen, maar ook zichtbaar gemaakt in huisraad, kleding en sieraden. Een rijk gemeubileerd voorhuis, fraai servies, damast, zilverwerk, een gouden oorijzer en zorgvuldig gekozen kleding lieten zien dat men goed geboerd had. De boerderij was daarmee niet alleen een plaats van arbeid, maar ook een plaats van representatie.
Voorne-Putten was in de negentiende eeuw nog een eiland, maar Rotterdam lag dichtbij. De stad was belangrijk als afzetmarkt voor landbouwproducten en tegelijk als plaats waar meubels, stoffen, sieraden, gebruiksvoorwerpen en luxe goederen konden worden gekocht. De gegoede boerenstand keek in haar wooncultuur naar de inrichting van de stadse burgerij. Meubels in Biedermeierstijl en later in Willem III-stijl, glanzend gepolijst hout, een rijk gedekte tafel met zilverwerk, kristal en damast pasten bij een manier van wonen waarin bezit en smaak zichtbaar mochten zijn.
Ook de inrichting van buitenhuizen en burgerlijke woonhuizen kon daarbij als voorbeeld dienen. Marmeren gangen en schoorsteenmantels, gestucte plafonds, nette voorkamers en representatieve eetkamers hoorden bij een wooncultuur waarin ontvangst, aanzien en orde belangrijk waren. Op grote boerderijen kreeg vooral het voorhuis die representatieve betekenis. Daar werd niet alleen gewoond, maar ook getoond wie men was en welke positie men innam.
De kleding sloot eveneens aan bij de stadse mode van de gegoede burgerij, maar kreeg op Voorne-Putten een eigen streekgebonden karakter door de keuvel en het oorijzer. Zo ontstond een herkenbaar voorkomen: verbonden met stad, stand en streek.
Ruim vijf maanden hebben vrijwilligers van Stichting Oud-Geervliet gewerkt aan de voorbereiding en inrichting van deze tentoonstelling. Er is onderzoek gedaan, er zijn objecten geselecteerd, bruiklenen samengebracht, teksten geschreven en presentaties opgebouwd. De getoonde voorwerpen zijn in bruikleen gegeven door verschillende boerenfamilies uit Voorne-Putten. Samen schetsen zij een beeld van de gegoede boerenstand in de negentiende eeuw: van werken en wonen tot kleden en pronken.
De tentoonstelling is tot stand gekomen met steun van de gemeente Nissewaard en de trouwe donateurs van de stichting. Museum Stadhuis Geervliet laat met deze nieuwe tentoonstelling zien dat de geschiedenis van Geervliet en Voorne-Putten niet alleen wordt bepaald door grote namen als Nicolaas III van Putten of Cornelis de Witt, maar ook door het rijke boerenleven van de negentiende eeuw.






































