Het opbrengen van de Royal Charles Jeronymus van Diest II 1667
Het opbrengen van de Royal Charles Jeronymus van Diest II 1667 Collectie Rijksmuseum Amsterdam

Het rampjaar 1672: oorlog met Engeland

Algemeen 88 keer gelezen

Dit jaar is het 350 jaar geleden dat de Nederlanden overvallen werden door Lodewijk de XIV, de Engelse koning en twee Duitse vorsten. Het bestaan van de Republiek stond op het spel. De bevolking was radeloos, reddeloos en redeloos en zocht een schuldige voor haar ellende. Dat werd raadspensionaris Johan de Witt. Hij en zijn broer werden door het volk gelyncht.

Uiteindelijk kwam het volk bij zinnen en werd de Republiek gered door stadhouder Willem III.

In deze serie gaan we nader in op het rampjaar 1672 en de landelijke herdenking.

Aan het eind van de eerste Engelse-Nederlandse oorlog werd in 1654 de Vrede van Westminster getekend. Helaas voor de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën bleef de Akte van Navigatie gehandhaafd. Een van de eisen van Engeland was dat de Prins van Oranje voor altijd uitgesloten zou worden van het stadhouderschap. Daar ging de Republiek niet in mee, maar de provincie Holland in het geheim wel. In deze Akte van Seclusie werd bepaald dat Willem van Oranje en zijn nakomingen nooit stadhouder zouden worden. Johan de Witt had deze beslissing op eigen gezag genomen en daarmee werd de positie van de staatsgezinden weliswaar versterkt, maar er ontstond wel blijvend zeer bij de prinsgezinden. Het contact met Engeland, waar koning Karel de troon had bestegen, verliep moeizaam. Johan de Witt sloot in 1662 een verdrag met Frankrijk, waarin beide landen beloofden elkaar te helpen bij een aanval door een derde.

De tweede Engelse Zeeoorlog vond plaats in 1665-1667.  Het leek erop dat Engeland de oorlog zou winnen, maar dat liep anders. Admiraal Michael de Ruyter voer de Theems op en vernietigde de Engelse vloot bij Chatham.

De Tocht naar Chatham was in 2019 een prominent deel van de tentoonstelling in het Historisch Museum Den Briel over de gebroeders De Witt. ‘In de 17e eeuw waren er drie oorlogen met Engeland’, vertelde destijds Ronald Prud’homme van Reine, die als gastconservator betrokken was bij de tentoonstelling. ‘De Tocht naar Chatham vond plaats in de zomer van 1667. Eind 1666 ging het niet goed in Engeland. Er was een enorme brand in Londen die een groot deel van de stad verwoestte en er was een pestepidemie die vele tienduizenden slachtoffers maakte. De Engelse besloten vanuit financieel oogpunt om slechts een kleine oorlogsvloot uit te rusten, om vooral de kustverdediging uit te kunnen voeren. Er waren al gesprekken gaande over vrede. De Engelse oorlogsbodems werden opgelegd in de dokken bij Chatham.’

Johan de Witt was op de hoogte van de bezuinigingen op de Engelse vloot en hij besloot om een plan dat al eerder ter sprake was gekomen, uit te voeren. De Nederlandse vloot zou de Theems opvaren en de Engelse schepen zo veel mogelijk schade toebrengen. ‘Er was in die tijd wel een probleem’, aldus Prud’homme van Reine. ‘De Ruyter had bijna om de dag last van koortsaanvallen vanwege malaria, een ziekte die destijds ook in West-Europa voorkwam. Hij kon dus niet de leiding hebben van de aanval. Johan de Witt wilde eigenlijk zelf mee, maar hij kon niet weg. Er waren vredesonderhandelingen gaande en de Fransen rukten op naar de Zuidelijke Nederlanden. Er werd besloten om Cornelis de Witt mee te sturen als afgevaardigde van de Staten Generaal. Hij stond in voortdurende briefwisseling met zijn broer (de brieven werden met snelle scheepjes overgebracht), die alles goed in de gaten hield.’

Chatham ligt aan een zijrivier van de Theems, de Medway, en die rivier was niet geschikt voor schepen met een grote diepgang. De grotere oorlogsbodems bleven op wacht liggen en met kleine oorlogsschepen o.l.v. Willem Joseph van Gendt en Cornelis trok het leger de Medway op, waar ze tegengehouden werden door een enorme ketting. Achter die ketting lagen de schepen. De Nederlanders staken een groot aantal schepen in brand. Het grootste, het vlaggenschip de Royal Charles, werd als oorlogsbuit meegenomen naar Nederland en jarenlang tentoongesteld in de haven van Hellevoetsluis, destijds de Nederlandse marinehaven.

Uit de krant